Zoeken

Herkomst van methodes

Als men aan vissen denkt (hengelsport welteverstaan) ziet men over het algemeen een beeld van jongen voor zich, bewapend met een bamboe-hengel, opgetuigd met een dobber en de haak voorzien van een flinke regenworm.

Een ander personage wat men voorstelt is de oude man, met hoed en een pijp, die met zijn vliegenlat sierlijk de ‘touw’ met flinke zwiepen op het water legt, daar waar hij een forel heeft gezien… Deze stereotypen komen natuurlijk niet uit de lucht vallen. Dit is hoe de niet-vissende samenleving ons sportvissers ziet. Mede door vertoon in media en gebrek aan eigen interesse natuurlijk. Desalniettemin is de vaste hengel een van de meest gebruikte methodes en de worm een van de populairste aassoorten, tot op de dag van vandaag. Een lange oversteekhengel is nog steeds het instrument op wedstijdgebied. De meeste van ons zijn met de vaste hengel begonnen en laten hun kroos met de vaste hengel beginnen… De vliegvisser is een verschijnsel wat bij de mensheid al een paar eeuwen op de netvlies ligt, over de hele wereld, want de zon gaat nooit onder op de heerschappijen van Koningin Victoria. Het vissen met de vlieg is dan ook een cultureel goed, wat in tijden van het Britse rijk over het hele Commonwealth is verspreidt door lords die zich te pletter verveelden en dus maar gingen vliegvissen op alles wat ook maar een beetje tegen wilde stribbelen.


Sportieve vismethodes (lees: met hengel) zijn te verdelen in drie methodes en twee soorten hengels: Namelijk het aasvissen, het kunstaasvissen en het vliegvissen. Ooit viste men enkel met handlijn, de hengel is een verlengde van de arm. Indien een hengel over een werpmechanisme beschikt, een molen of een reel, spreken we van een werphengel. Als dat niet het geval is, spreken we van een vaste hengel. Een vliegenhengel is een werphengel, behalve als het om een tenkara gaat. De oudste manier van vissen is zondermeer aasvissen. Het gebruik van natuurlijke aassoorten die voorhanden waren om vis te lokken en te vangen. Deze werden echter soms vervangen voor imitaties, om vis proberen te foppen in tijden dat natuurlijk aas niet of slecht voorhanden was. Zo kwam Lauri Rapala begin 20ste eeuw zelfs tot de conclusie dat het vangen van een haring lastiger is dan het vangen van een zeeforel. En dat terwijl een levende haring als het aas voor zeeforel werd gezien. Zo is de beste man op het idee gekomen de bovengenoemde haring te imiteren en is de inmiddels wereldberoemde rapala plug geboren, de original, bestaat nog steeds…

Met de komst van de moderne werpmolen in dezelfde tijdsframe konden de pluggen effectief gevist worden, want kunstaasvissen met de vaste hengel of een spinhengel met centre-pin is niet te doen natuurlijk. Dit gaf precies de nodige impuls in de ontwikkeling van het Europese kunstaasvissen. Het vliegvissen zoals we het nu kennen is ontstaan in de 17e eeuw, op het grondgebied van Groot-Brittannië. Het was de eerste werpmechanisme. Een methode die weinig is veranderd. Een methode die ander materiaal vraagt dan regulier. Normaal gesproken werpen we het werpgewicht (aas + montage) en deze trekt lijn van molen of reel af. Bij het vliegvissen is het werpgewicht verspreid over de lijn en zit het niet in het projectiel. Het aas (= de vlieg) weegt zo goed als niks, en word in de worp meegenomen door de vliegenlijn en overgedragen door de leader. De vlieg is een vorm van kunstaas, cq. De kunstvlieg. Wat betekend dat in de praktijk? Deze technieken zijn door de jaren heen geëvalueerd en doorontwikkeld. Velen hebben een voorkeustechniek waar ze zich aan houden. Zo zijn er weinig karpervissers die het eens met de vlieg proberen. En als een snoekvisser kunstaasvisser is, zal hij in de meeste gevallen zelden doodazen. En dan is jammer want elk van de methodes heeft zijn voor- en nadelen. Hieronder zijn slechts de belangrijkste punten benoemd, van uitgaand dat men alle drie disciplines in gelijke mate meester is. Voordelen Aasvissen:

  • Het aas is daadwerkelijk eetbaar, hierdoor is de dressuurvorming minder scherp (de vis krijgt immers ook beloning in vorm van voedsel)

  • Er kan worden gevoerd

Nadelen:

  • Aas in bezit hebben (houdbaarheid, gewicht, ruimte, etc.)

  • Het extra gewicht en vaak gebondenheid aan een voerstek zorgen voor verminderde mobiliteit en passief vissen.


Voordelen Kunstaasvissen:

  • Herbruikbaar > minder van nodig > lichter bepakt > mobieler

  • “Schoon”

Nadelen:

  • Geeft in de meeste gevallen geen geur af

  • Niet fysiek eetbaar, dus hardere dressuur


Voordelen vliegvissen:

  • Zachte landing aas

  • Mogelijkheid heel natuurgetrouw te vissen (bijv. heel langzaam)

Nadelen:

  • Streamers voor snoek bijv. lijken op elkaar qua actie, hierdoor ontstaat vliegvisspecifieke dressuur

  • Het gebruik van een vliegenhengel (op drilplezier na, een groot nadeel ansicht)


Natuurlijk aas vangt statistisch grootste vis. Met kunstaas bestrijk je meer water. Vliegvissen is het leukst om te doen. Groot voordeel van aas is dat het eetbaar is. Het kan gevoerd worden, vis kan eraan wennen. Het is daadwerkelijk een beloning voor de vis, ik heb dan ook sterk de indruk dat de dressuurvorming hierdoor anders is. Minder hevig in ieder geval, het is geen dressuur naar een ‘onbekend object’ wat een bepaalde (soms onnatuurlijke) kleur heeft en een bepaalde trilling afgeeft. Nee, hier gaat het om iets wat meer dan eens succesvol, zonder verliezen en bovendien heel smaakvol is verorberd. Met kunstaas bestrijk je een groter oppervlak, omdat je vaak minder spullen en gewicht bij je hebt. Kunstaas is namelijk herbruikbaar, daardoor is het op te slaan in dozen. Telkens mag er een niet te grote selectie mee, een onthaaktang en dat was het. Een groot voordeel wat veel mensen in kunstaas (en dus ook vliegen!) zien is dat het ‘schoon’ is; het ruikt niet naar vismeel, niet naar vogelvoer, en zelfs niet naar knoflook-abrikoos. Het vergaat niet, schimmelt niet. Dient totdat het op een brugwand gebroken word of in een boom geplant. Dressuur die voor een bepaald kunstaastype ontstaat is meestal keihard: spinnerdressuur, plugdressuur (bepaald type), etc.


Vliegvissen is net als boogschieten. Heel basic en door de jaren heen weinig veranderd. Kwaliteit van de spullen is verbeterd, maar de techniek zelf maar weinig. Als we een geoefende vliegvisser van honderd jaar geleden via een hypothetische tijdmachine terug zouden halen naar het heden, zou hij (waarschijnlijk toch wel een hij) de spullen van vandaag even goed kunnen bedienen. Terwijl er in regulier vissen zoveel vindingen zijn bijgekomen dat er een zekere adaptatiefase nodig zou zijn. Het mooie van vliegvissen is dat je ook zelf je vliegen kunt maken, waardoor het heel specifiek bepaald (plaatselijk) voedsel kunt imiteren, waar op een bepaald stuk nou zoveel op gejaagd/geaasd wordt. De vliegenlijn laat de vlieg zacht landen, maar het werpen met een vliegenhengel is een verhaal op zich. De techniek leren is een ding, maar de vliegenhengel heeft ook beperkingen qua werpafstand, het is windgevoelig en het vraagt ruimte. Elk van deze methodes kent een spectrum van toepassingen en situaties waarin het gereedschap echt goed tot zijn recht komt. Daarover meer in deel 2!




86 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven